Deze Hindelooper snee- en witwerkdoeken werd in 1802 vervaardigd. De techniek, waarvan de oorsprong onbekend is, gaat al terug tot de late middeleeuwen en mogelijk zelfs nog verder terug in de tijd. Elk land had zijn eigen stijl. In ons land werd dit werk voornamelijk in Friesland en West-Friesland toegepast, vooral in Hindeloopen en Marken, waar snee-en witwerk op allerlei manieren in de klederdracht verwerkt werd. Bij witwerk werd er gewerkt met witte draden op wit linnen. Het garen dat gebruikt werd had dezelfde dikte als de weefseldraden van het doek. Op Terschelling en in Hindeloopen werd er ook ongebleekt linnen of jute gebruikt. De techniek is eenvoudig; er wordt voornamelijk met Spaanse oogjes (kleine vierkantjes) en veter- of nestelgaatjes gewerkt. Verder bestaat het witwerk uit platsteken over 3, 6 of 9 draden, waarmee door steeds te verspringen sierranden en kleine motiefjes werden opgebouwd.
Witwerk en sneewerk gaan vaak hand in hand. Door het sneewerk, dat uit opengewerkte gedeelten bestaat, ontstond er afwisseling. Bij deze techniek werden er draden in beide richtingen weggehaald. Aanvankelijk werden de draden weggesneden, later werden ze met een puntig borduurschaartje weggeknipt. Dit in tegenstelling tot ajourwerk, waar de draad zo strak werd aangetrokken dat er gaatjes ontstonden. Het is een nauwkeurig werkje dat vraagt om een vaste hand van de vaak nog jonge borduurster.
Wie deze borduurster is, is helaas niet bekend. Ze werkte met borduurzijde en linnen garen op een linnen ondergrond. De doek, die 28 bij 25 cm meet, heeft een brede zoom waarlangs een sneewerkrand loopt die aan elke zijde uit andere patronen is opgebouwd. Daarbinnen is aan de linkerkant een alfabet geborduurd, dat bij de V stopt. Het Friese alfabet eindigde vaak bij de V of de W en behalve de XYZ, ontbraken de J, de Q en de U. Dit had met de uitspraak van de Friese taal te maken. Het alfabet komt aan de onderkant van de doek terug, in kruisteek, in rood, geel en groen. Her en der zijn er naast een grote ruit en een hart, kleinere patronen in dezelfde kleuren geborduurd. De A en de I, zijn, in tegenstelling wat men zou verwachten, niet de initialen van de borduurster. Deze combinatie van letters komt ook op andere doeken voor. De betekenis is onbekend. De kleine motiefjes aan de onderzijde zijn huishoudelijke voorwerpen. Ze hebben vaak betrekking op de bezigheden van de huisvrouw. Ze staan voor vlijt en tevredenheid, voor huiselijkheid en gastvrijheid. Het mannetje in de gele pofbroek, met een pijp in zijn hand wordt “Symon yn de giele broek” genoemd. De doek is aan de linkerzijde, tegen de onderrand gedateerd: anno 1802.