Tentoonstellingstekst
Eens per jaar kwamen de schutters bij elkaar voor een gezamenlijke maaltijd om zo de saamhorigheid te bevorderen. Dit groepsportret is het vroegst bekende voorbeeld van een schuttersmaaltijd, een compositie die veel navolging zou krijgen. Behalve gegeten en gedronken werd er ook veel gezongen. Een van de schutters heeft een blaadje met daarop noten en tekst van het liedje ‘In mijne sinn heb ik vercooren een meysken’ (Ik heb een meisje op het oog).
In de 18de eeuw kreeg dit schilderij de naam “Braspenningmaaltijd”. Waarschijnlijk vanwege de erg karige maaltijd van gans en reiger, die hier op tafel staat. Een braspenning was namelijk een muntje dat maar iets meer dan vijf cent waard was.
Vanaf 1529 lieten Amsterdamse schutters zich portretteren in de eenheid van manschappen die een rot werd genoemd. Dit groepsportret van een rot door Cornelis Anthonisz uit 1533 is het vroegst bekende schuttersstuk dat voor de Voetboogdoelen werd geschilderd.
De schutters zijn afgebeeld aan de maaltijd. Op tafel staan brood en een schaal met gevogelte en een haring. Wellicht was deze wat karige maaltijd de reden waarom het schilderij in de achttiende eeuw de naam “Braspenningmaaltijd” kreeg. Een braspenning was een muntje dat iets meer dan vijf cent waard was. Misschien werd dit feestmaal ongeveer op die waarde ingeschat.
De schilder is mogelijk zelf afgebeeld, linksboven, net onder zijn signatuur. Hij was in ieder geval lid van het Voetbooggilde. Hij heeft duidelijk gemaakt dat het hier om schutters van dat gilde gaat. Twee schutters op de achtergrond dragen voetbogen; bovendien dragen de schutters een miniatuurversie van zo’n boog als embleem aan de rechtermouw van hun uniform.
Rechtsbovenin is een glas-in-loodruitje te zien waarop Sint Joris is afgebeeld. Hij was de schutspatroon van dit gilde.
De gezamenlijke maaltijd was voor de schutters een hoogtepunt in het jaar. Behalve gegeten en gedronken werd er ook veel gezongen. Eén van de schutters heeft een blaadje met daarop noten en tekst van het liedje ‘In mijne sinn heb ik vercooren een meysken’ (Ik heb een meisje op het oog). ( Tom van der Molen)
Catalogustekst
Vanaf 1522 waren er in Amsterdam drie schuttersgilden. Ieder gilde telde ongeveer 200 schutters, verdeeld over twaalf rotten, elk met een eigen letter. De oudste schuttersgilden waren die van de Voetboog en de Handboog, in 1522 kwam het Kloveniersgilde erbij. Vanaf 1529 lieten de rotten schutters zich gezamenlijk portretteren. Het vroegst bekende portret dat voor de Voetboogdoelen werd geschilderd is het schuttersstuk van Cornelis Anthonisz. van 1533. De zeventien schutters van rot D of G zijn rondom een tafel afgebeeld waarop een schaal met gebraden gevogelte en brood is geplaatst. Tien van hen zitten, de overige zeven staan achter hen. In de achtergrond is een fantasieberglandschap afgebeeld. Zes van hen kijken de beschouwer aan, de anderen kijken in allerlei richtingen. Dat het hier om schutters van het voetbooggilde gaat, blijkt uit de voetbogen die twee schutters in de bovenste rij vasthouden en de emblemen op de mouwen van de roodgroene uniforms. De schutspatroon St. Joris van het gilde is afgebeeld in het glas-in-lood raampje rechtsboven.
Met deze uitbeelding van een rot schutters introduceerde Cornelis Anthonisz. de schuttersmaaltijd in de Amsterdamse schuttersstukken, een compositie die veel navolging zou krijgen. Maaltijden vormden een van de hoogtepunten binnen de schutterijen bij belangrijke gelegenheden, zoals processies en afscheid van kapiteins. De maaltijd op de tafel van deze schutters in 1533 is sober met twee stuks gevogelte, een paar broodjes, een haring en wat drank. Cornelis Anthonisz. zal voor de compositie van deze maaltijd waarschijnlijk de voorstellingen van het laatste Avondmaal in gedachte hebben gehad. Misschien wilden de schutters op deze wijze uitdrukking geven aan hun saamhorigheid.
Bij de schuttersmaaltijden werd veel gemusiceerd en gezongen. Een van de zittende schutters heeft een blad met muziek in zijn hand met de tekst van het destijds populaire minneliedje ‘In mijne sinn heb ik vercooren een meijsken’. Een andere schutter haalt een fluit uit een foedraal waarin nog twee andere fluiten zitten.
De namen van deze schutters zijn niet bekend. De man met het blad met de drie glazen drinknappen in zijn hand zal de kapitein zijn. Hij wordt extra benadrukt door de lege ruimte achter hem, maar ook omdat er enkele schutters in zijn richting wijzen en de man naast hem zijn hand op de bovenarm legt. Er wordt aangenomen dat de schutter die geheel linksboven onder de datering en het monogram en met een tekenstift in zijn hand is geportretteerd, de schilder zelf is. Volgens bronnen was Cornelis Anthonisz. in ieder geval in 1536 zelf lid van het Voetbooggilde en vermoedelijk was dat de reden waarom hij de opdracht voor dit groepsportret kreeg. Het is in ieder geval bijzonder dat hij als jonge man van nog geen dertig jaar dit nieuwe thema in de traditie van het schuttersstuk brengt. Hij laat de sobere en in heldere kleurvakken opgezette vormen samengaan met een grote aandacht voor details en portretten.
Dit schilderij wordt vanaf het midden van de 18de eeuw De Braspenningmaaltijd genoemd. De reden hiervoor is onduidelijk. Een braspenning was een muntje dat iets meer dan vijf cent waard was. Misschien vond men in de 18de eeuw het zo’n karige maaltijd dat men deze maar zo weinig waard vond. ( Judith van Gent)
Catalogus AHM 1975/'79
Midden onder een D of een G, de letter van het afgebeelde Rot (volgens Taverne en Picker een D). Rechts boven een afbeelding van St. Joris die de draak doodt, het embleem van het St. Joris of Voetbooggilde. Door Schaep werd het schilderij in 1653 beschreven als: "Op de kamer, no. 5, een oud stuck, Ao 1533 .. sittende aen tafel daar een gebraden rijger in den schotel legt, get. G. (alii D. dicunt) 1533 C + T, ubi SB. in Flore aetatis, vide in senectute alibi supra". Scheltema tekent aan dat met S.B. waarschijnlijk de Amsterdamse schepen Sijbrand Buijck bedoeld is (SCHELTEMA VII, blz. 140, noot 11).
Van Dyk en Wagenaar vermeldden als eersten de naam van het stuk als de Braspenningsmaaltijd en noemden eveneens als eersten "Cornelis Antonissen" als de schilder. Riegl onderstreept het genre-karakter van het schilderij: het is het vroegste waarop een schuttersvendel rond een gedekte tafel is gegroepeerd (Riegl; vgl. Bergström). Voorstellingen van het Laatste Avondmaal konden Anthonisz voor dit nieuwe thema als voorbeeld en uitgangspunt dienen (Taverne). Niet eerder is gewezen op een belangwekkende Antwerpse voorloper van Anthonisz' schilderij en van latere schuttersrnaaltijden, namelijk de 1523 gedateerde 'Maaltijd van de heren van Liere', nu in hot Centraal Museum te Utrecht (cat. 1952 nr. 1363, als onbekend Zuid Nederlands meester; afgebeeld in J. Veth en S. Muller, Albrecht Dürers Niederländische Reise II, 1918, blz. 60). Op dat stuk zien wij een vijftiental heren om een tafel banketteren. Overeen komt ook dat het portretten zijn, zij het niet van schutters, maar van leden van één vooraanstaande Antwerpse familie. De invloed van voorstellingen van het Laatste Avondmaal is op dit schilderij zeer evident. Achter de zittende heren zijn staande knechts afgebeeld, net als het geval is op bijna alle schutters en regentenstukken die nadien in Holland werden vervaardigd. De in moderne ogen nog houterige compositie van Anthonisz' schilderij blijkt toch zorgvuldig overwogen: de voorwerpen op de tafel zijn net even anders geplaatst dan bij de eerste opzet, die af te lezen is uit de thans zichtbare ondertekeningen (Taverne). De Vries herkent invloed van Jan van Scorel in ons stuk (De Vries, 1934).
Hoogewerff merkte op dat de man links boven "met de teekenstift in de hand" een zelfportret van Cornelis Anthonisz zal zijn. Hij schatte hem op "even dertig".
Dubiez echter acht de geportretteerde "niet ouder den 25 26". Dit is van belang omdat op grond van deze schattingen deze auteurs concluderen dat C. Anthonisz' geboortejaar 'omstreeks 1500" dan wel "omstreeks 1507" moet liggen. Dr. Chr. Tümpel (mondeling) is er van overtuigd dat deze man geen tekenaar is, maar de secretaris van het afgebeelde Rot. Dubiez ziet in de twee mannen die geheel rechts achter de tafel zitten "de penringmeester met de geldbuidel en de secretaris met een geschreven stuk in de hand". Echter, dit "geschreven stuk" is een blad rnuziek en de "geldbuidel" een foedraal met drie blokfluiten erin. Op het muziekblad is net "discanto" gedeelte, d.w.z. de eigenlijke melodie, genoteerd van het lied: "In mijnen sin heb ick vercoren een meijsken". Dit lied was vanaf de tweede helft van de 15de eeuw zeer bewerkt. Wellicht diende een versie van Antoine Busnois als direct voorbeeld voor Anthonisz (Picker, afb. III). De man met het foedraal heeft één blokfluit eruit genomen en staat op het punt dat ook met de andere twee te doen (zie voor een en ander: Picker; herhaald bij Fischer).
Aantrekkelijk, doch speculatief is Sterck's theorie (1926 en 1928) dat de “roodbruine" wapenrokken, die alle afgebeelde schutters dragen, een bespotting zouden inhouden op de pijen der Franciscaner monniken (zie ook cat.nr. 94). Dit idee is gegrond op het feit dat de Amsterdamse overheid juist in dezelfde jaren, in de strijd tegen het opkomende Lutheranisme, verbood: "eer zeecker coleur bij eenige uuyte schutterijen gecoern van de coleur als der monnicker cappen dragen, in derisie van de religie". Inhakend op deze theorie meent Fischer dat het “meijsken” uit genoemd minnelied geassocciëerd kan worden met de prinses voor wie de Heilige (dus per definitie kuise) Joris de draak doodde (wat rechts boven is afgebeeld) om haar aldus uit diens klauwen te redden. Deze auteur stelt o.a. dat uit een en ander wellicht een bespotting van het celibaat valt af te lezen.
Taverne merkt op dat de afgebeelde feestmaaltijd mogelijk werd gehouden op 23 april, de feestdag van de H. Joris. Ook meent hij dat de zilveren beker rechts op de tafel mogelijk een trofee is die het rot bij een schietwedstrijd heeft gewonnen. Vandaar is volgens hem het woord "braspenning" een toen gangbare benaming voor een geldstuk van een zekere waarde: "de naam Braspenningmaaltijd duidt eenvoudigweg op de kosten van de feestmaaltijd". ( Albert Blankert)
Tentoonstellingstekst
Dit groepsportret is de eerste uitbeelding van schutters aan de maaltijd - een compositie die veel navolging zou krijgen.
Vermoedelijk is hier de jaarlijkse feestmaaltijd op de naamdag van St. Joris, de beschermheilige van het voetboogschuttersgilde.
De heilige is zichtbaar in het glas-inloodraampje in de rechterbovenhoek van het schilderij, in gevecht met de draak die hij uiteindelijk zal verslaan. Een van de zittende schutters heeft een blad met muziek in zijn hand. Het draagt de tekst van het destijds populaire minneliedje ‘In mijne sinn heb ik vercooren een meijsken’. Eén van de schutters heeft een blokfluit in de hand. Zijn foedraal bevat nog twee andere fluiten.