Catalogue AHM 1975/'79
Het schilderij is, zoals Six als eerste opmerkte (SIX 1886), het linker beneden deel van een groepsportret dat oorspronkelijk 21 figuren telde en waarvan ook onze cat.nrs. 333 en 334 deel uitmaakten. Dat blijkt uit twee oude tekeningen die het complete schilderij weergeven. De ene, door Jac. Colyn, bevindt zich in het Brits Museum te Londen (COLYN; fol. 29 van ms. Egerton, nr. 983; zie SIX 1903, blz. 69), de andere in het Gemeentearchief (atlas Christoffel Beudeker, Oudheden van Amstelredamme, fol. 129; zie Six 1897, blz. 136). Op beide tekeningen hebben de figuren nummers die corresponderen met een eraan toegevoegde lijst van afgebeelde schutters (met daarbij in MS Egerton ook hun wapens). Daaruit blijkt dat op ons fragment van links naar rechts zijn afgebeeld: Jan Banningh, Jan Valkenaar, Kapitein Pieter van Neck, Jeuriaen Jansz Glasemaaker, Frans van Nes, Hans Goedewert, een onbekende en luitenant Jacob Lucasz (zie: Six 1887, blz. 19).
Mogelijk is het schilderij hetzelfde als Van Dyk, nr. 116 (niet 115, zoals Six abusievelijk opgeeft: Six 1903): een zgn. werk van.Moreelse "geschildert 1603, daar in zijn een en twintig persoonen". M.i. bedoelde Van Dyk daarmee echter waarschijnlijker ons cat.nr. 600 A. Scheltema rangschikte het schilderij, evenals de volgende twee stukken, onder de anoniemen. Six stelde het in 1886 op naam van Aert Pietersz, omdat hij er "het merk van Lange Pier" (= Pieter Aertsz, overleden in 1575) "zij het dan ook door een latere hand vernieuwd" op gevonden had (Six 1886). De Vries (1934) aanvaardde de toeschrijving aan Aert Pietersz. Recent werd, links op het servet, diens huismerk gelezen. In een volgend opstel identificeerde Six net schilderij, met een vraagteken, met een door Schaep in 1653 vermeld stuk: "A° 1604 .. Het tafereel, daer Capn is .. ende Lut .. staende op de lijst 1604" (Six 1887). Hij liet dit vraagteken vervallen na Vergelijking met de nadien gepubliceerde lijst van schilderijen in de Handboogdoelen opgesteld door Hans Bortemantel, waarin deze, ongeveer op de plaats waar Schaep het stuk uit 1604 zag hangen, een schilderij vermeldt met: "Pieter van Neck, Cap. Jacob Luycasz., Luyte Outgert Pietersz. Spiegel, Vaen". Dat het door Schaep genoemde schilderij uit 1604 dateerde terwijl de op ons stuk afgebeelde kapitein Pieter van Neck reeds overleed in 1602, verklaarde Six aldus: de voltooiing van het schilderij diende uitgesteld te worden vanwege de pestepidemie die in 1602 woedde (Six 1887, blz. 19; 1897, blz. 131).
Het lijkt mij dat men er bij de besnoeiing van het stuk naar gestreefd heeft toch een gave, afgeronde compositie te behouden.
Dit groepsportret met acht schutters is een fragment van een groter schuttersstuk. Tijdens een verhuizing gebeurt wel eens iets waar we later spijt van hebben. Zo ook bij de inrichting van het Prinsenhof, de nieuwe zetel van het stadsbestuur vanaf 1808. Dit schuttersstuk van Aert Pietersz werd toen verzaagd. Het grootste fragment kreeg een plaats tegen de schouw van de Raadzaal. Tientallen jaren later doken getekende kopieën op, die een indruk gaven van de oorspronkelijke compositie. Twee elders in het stadhuis bewaarde portretten bleken eveneens bij het schilderij te horen.