Catalogue Kopstukken 2002-'03
De traditionele wijze om schutters uit te beelden, in twee rijen boven elkaar, is hier op originele wijze doorbroken: de 21 schutters zijn gescheiden door een doorkijk met een zicht naar buiten. De vele lansen en hoeden suggereren dat ook de rest van de compagnie is afgebeeld. De kapitein, in het zwart gekleed en van een korte piek voorzien, bevindt zich links van de doorkijk; tegenover hem, aan de andere kant van de vaandrig, staat de luitenant in een rijkversierd kuras. Prominent naast de vaandrig is de trommelaar afgebeeld, die waarschijnlijk vanwege zijn lage rang niet in staat was zelf voor zijn portret te betalen.
Aanvankelijk werd aangenomen dat dit schuttersstuk voor de Kloveniersdoelen was gemaakt, maar iconografische verwijzingen op de partizaan van de luitenant hebben aangetoond dat de oorspronkelijke bestemming de Voetboogdoelen geweest moet zijn. Van de door Gerard Schaep in 1653 beschreven schuttersstukken in de Voetboogdoelen bleek er één nog niet te zijn geïdentificeerd. Op grond van Schaeps beschrijving en stilistische overeenkomsten is het schilderij aan Frans Badens toegeschreven. Over deze uit Antwerpen afkomstige schilder is zeer weinig bekend, hoewel hij door Van Mander werd geroemd als een van de belangrijke schilders die zich in de vroege zeventiende eeuw in Amsterdam vestigden. Badens had zijn schilderstijl in Italië ontwikkeld en werd geprezen om zijn vermogen de menselijke huid levensecht weer te geven.
Dit schuttersstuk heeft vele vragen opgeroepen omtrent de identificatie van de voorgestelden en het jaar van ontstaan. Schaep schrijft dat Badens in 1618 de compagnie van kapitein Arent ten Grootenhuys en luitenant Nanning Cloek had geschilderd. Dit werd echter betwijfeld omdat men aannam dat kapitein en luitenant in dezelfde wijk moesten wonen. Ten Grootenhuys woonde echter in wijk VII, ten oosten van het Rokin, terwijl Nanning Cloeck tussen 1616 en 1620 diende in wijk III, het gebied tussen Damrak en Singel. Het is mogelijk dat luitenant Cloeck eerder in een andere wijk woonde en daarna verhuisde. In 1616 werd hij in zijn functie als luitenant door Paulus Moreelse op een schuttersstuk geportretteerd en het was ongebruikelijk dat iemand zich in zo'n korte tijd meermalen liet schilderen. Het is ook mogelijk dat de afgebeelde luitenant de jongere broer van Nanning Cloeck is, namelijk Jacob Florisz, die in dezelfde wijk woonde als de kapitein. Toch geldt de door Schaep overgeleverde informatie als betrouwbaar en daarom moet rekening worden gehouden met een herkomst van de officieren uit verschillende wijken. De veronderstelling dat deze schutters zich hebben laten portretteren ter ere van de inkomst van prins Maurits in mei 1613, zou een verklaring kunnen zijn voor het feit dat zij niet uit één wijk afkomstig waren. De door Schaep vermelde datering van 1618 is hoe dan ook niet langer aanvaardbaar, omdat kapitein Ten Grootenhuys in 1615 overleed. Zolang de identiteit van kapitein en luitenant niet volledig zeker is, zal het ongewis blijven wanneer het schilderij gemaakt is en in welke wijk deze schutters de orde en rust bewaakten. ( Andrea Müller-Schirmer)
Catalogue AHM 1975/'79
Wellicht identiek met een door Van Dyk onder nr. 116 beschreven werk zgn. door P. Moreelse "geschildert 1603. daarin zyn een en twintig persoonen" (zie ook cat.nr. 332). Vermoedelijk op grond daarvan door Scheltema opgenomen als Paulus Moreelse. Six schreef het stuk in 1887, onder enig voorbehoud, aan Cornelis van der Voort toe; dit vanwege overeenkomsten die hij zag met andere werken die hij op Van der Voorts naam stelde. Het onze zou een zeer vroeg werk van de meester zijn. Bredius accepteerde de toeschrijving en dateerde het schilderij "tussen 1600 en 1615".
Six opperde voorts de mogelijkheid dat het schilderij identiek kon zijn met een door Schaep in 1653 als volgt vermeld schuttersstuk in de kamer "t'Heertgen" in de Kloverniersdoelen: "Albert Jonkheyn Capn ...Lut., geschildert ao 1606"(Six 1887). In zijn opstel van 1903 nam hij deze identificatie als vaststaand aan (Six 1903; in de catalogi van het Rijksmuseum nam men dit over), m.i. op willekeurige gronden.
De derde man van links op de benedenste rij vond Six ook afgebeeld op enkele schilderijen van Pieter Isaacsz, o.a. op diens 'Korporaalschap van Gillis Valckenier en Pieter Bas' (Rijksmuseum, cat. 1934, nr. 1283) dat 1599 gedateerd is (Six doelde kennelijk op de derde man van de zittende figuren links op dat schilderij). Op dat werk is zijn haar nog blond, op het onze, dat van zeven jaar later zou dateren is het intussen wit geworden (Six 1903).
Riegl wees de toeschrijving aan Van der Voort met klem van de hand, stelde het schilderij op naam van een anonymus en vestigde de aandacht op het "Woud van lansen" in de achtergrond, dat op Rembrandts 'Nachtwacht' vooruitloopt. Ook Six zelf kwam naderhand op zijn toeschrijving aan Van der Voort terug (Six 1925).
Van der Sloot identificeerde de harnassen op ons stuk als van het zgn. "Italiaanse" type. Het was wijdverbreid, maar komt op schuttersstukken slechts voor op ons schilderij en op een schuttersmaaltijd door Tengnagel in het Rijksmuseum. ( Albert Blankert)
Exhibition text
De man in het kostbare kuras rechts van het midden is waarschijnlijk luitenant Jacob Floriszn Cloeck (1569 - 1611), herkenbaar aan de rijk bewerkte partizaan in zijn hand. Hij wijst naar kapitein Arent ten Grootenhuys (1570 - 1615), die aan de andere zijde van de vaandrig is afgebeeld en een korte piek vasthoudt. Beiden woonden in de Warmoesstraat.
Ten Grootenhuys en Cloeck waren mede-oprichters van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in 1602. Van Cloeck is bekend dat hij handelde in grof linnen. Ten Grootenhuys was als koopman betrokken bij een poging in 1608 tot oprichting van een Compagnie voor de handel om het Noorden. Ook had hij belangen in de bedijking van de Beemsterpolder.
In dit schuttersstuk heeft de schilder enige ruimtewerking aangebracht door middel van de doorkijk in het midden. Opvallend is de trommelaar in het midden. Door zijn lage rang zal hij niet in staat zijn geweest voor zijn eigen portret te betalen. Zijn aanwezigheid lijkt, evenals de vele lansen en hoeden op de achtergrond, bedoeld om te suggereren dat ook de rest van de compagnie op het schilderij is afgebeeld. ( Norbert Middelkoop)
Exhibition text
Hoewel over de schilder Frans Badens zeer weinig bekend is, werd hij in zijn tijd geroemd als een van de belangrijke schilders die zich in Amsterdam gevestigd had. De uit Antwerpen afkomstige schilder werd vooral geprezen om zijn vermogen de menselijke huid levensecht weer te geven.
In dit schutterstuk heeft Badens enige ruimtewerking aangebracht door middel van doorkijk. Opvallend is de trommelaar in het midden. Door zijn lage rang zal hij niet in staat zijn geweest voor zijn eigen portret te betalen. Zijn aanwezigheid lijkt, evenals de vele lansen en hoeden op de achtergrond, bedoeld om te suggereren dat ook de rest van de compagnie op het schilderij is afgebeeld.
De man in het kostbare kuras rechts van het midden is de luitenant, herkenbaar aan de rijkbewerkte partizaan in zijn hand. Hij wijst naar de kapitein, die aan de andere zijde van de vaandrig is afgebeeld en een korte piek vasthoudt.