opschrift verso, in het midden: G:Flink: een latere inscriptie
inv.nr. TA 18012 in depot
Origin
Catalogus van eene fraaije verzameling zoo gekouleurde als ongekouleurde teekeningen … naagelaten door den kunstlievenden heer Hendrik Verdonk Rotterdam (Gebrs. Van Ryp) 30 september 1811, p. 55, nr. 38: ' Een Oud Man, aan wien door een Cupido eene Bloem aangeboden word. Op blaauw Papier met zwart en wit kryt, door G: Flink'; Cat. Dessins anciens et modernes … collection de m. m. L:X: Lannoy (e.a.) Amsterdam (R.W.P : de Vries) 19-28 mei 1925, p. 18, nr. 241: 'G. Flinck. Homme assis sous une draperie; un Cupidon lui présente une rose. Pierre noire sur papier bleu. - Haut. 30, larg. 19.6 c.M.; Veiling C.V. de Lancey a Rome (e.a.), Amsterdam (R.W.P. de Vries), 20-22 juli 1926, p. 5, nr. 55 : 'G. Flinck. Homme assis sous une draperie; un cupidon lui présente une rose. Pierre noire sur papier bleu.- Haut. 30, larg. 19.6 c.M.' (in één lot met TA 18006); aankoop 1933.
Keywords
172748
Catalogue text
Deze tekening is door J.W. von Moltke toegeschreven aan Govert Flinck in zijn monografie over deze kunstenaar. Er is geen reden om aan te nemen dat hij er naast zat en daardoor is de tekening nog altijd als zodanig toegeschreven. Govert Flinck kwam in 1633 in Amsterdam aan en ging kort daarna als schilder in de leer bij Rembrandt. Hier leerde Flinck werken in zijn stijl. In 1636 verlaat hij het atelier van Rembrandt. Waar Rembrandts faam steeds meer afneemt begint de ster van Flinck juist te rijzen. Deze tekening is gemaakt tussen de jaren 1645 en 1649, tien jaar nadat Flinck weg is gegaan bij Rembrandt. Waar het in Flincks vroege tekeningen soms moeilijk kan zijn om hem van Rembrandt te onderscheiden, is dat in dit latere werk niet meer het geval. Voordat Flinck naar Amsterdam kwam zat hij in de leer bij Lambert Jacobszoon in Leeuwarden. Dit is voor het eerste beschreven door kunstenaar en biograaf Arnold Houbraken, een vriend van de zoon van Flinck. Lambert Jacobszoon was beïnvloed door Rubens en Italiaanse kunst. Deze invloeden zijn juist wel goed terug te zien in deze tekeningen, bijvoorbeeld in de draperieën en de manier waarop de figuren getekend zijn.
Op de tekening is te zien hoe een man een roos aangereikt krijgt van een klein engeltje, die geïdentificeerd kan worden als Amor, de zoon van liefdesgodin Venus. Amor is te herkennen aan de vleugeltjes op zijn rug en de pijlenkoker die om zijn romp hangt. De man zit op een verhoging met rechts van hem twee zuilen waar een doek over gedrapeerd ligt, dat doorloopt tot achter de man. De man zelf houdt zijn vingers voor zijn mond. De iconografie van deze tekening begreep men lange tijd niet en hij was daardoor ook niet geïdentificeerd. De man zou Harpocrates kunnen zijn, de Griekse god van de stilte. De voorstelling die op deze tekening te zien is, is vaker afgebeeld. Amor gaf Harpocrates een roos in ruil voor diens zwijgen over de escapades van zijn moeder Venus. Dit maakt de tekening een mythologische voorstelling, hoewel het daar op het eerste gezicht niet op lijkt. Harpocrates heeft, naast zijn handgebaar, geen attribuut waaraan hij te herkennen is. Harpocrates is door de Grieken als godheid ontleent aan de Egyptische mythologie. Hier is Harpocrates de verbeelding van de god Horus, de zoon van Osiris en Isis, in zijn kindertijd. Net zoals bij de figuur op deze tekening wordt Harpocrates bij de Egyptenaren vaak afgebeeld met zijn vingers voor zijn mond. In het oude Egypte was Harpocrates een kind, terwijl dat op deze tekening duidelijk niet het geval is.
De tekening is gemaakt op blauw papier. De zeventiende-eeuwse Nederlandse kunstenaar en biograaf Karel van Mander schreef in 1604 zijn Schilderboeck, hierin beschreef hij niet alleen de levens van beroemde kunstenaars, maar ook verhandelingen over hoe men goed moest tekenen en schilderen. De tekenkunst zag hij als de moeder van de schilderkunst. Hierin zegt hij dat het goed is om bij het schilderen van figuren grauw of blauw papier te gebruiken en hierop te tekenen met zwart krijt, opgehoogd met wit krijt. Flinck heeft dit advies exact opgevolgd, het is dan ook aannemelijk dat Flinck dit boek gelezen heeft.