Een watermolen. Voor de woning bij de molen doet een vrouw de was in een vat, rechts komt een man met een jongen aangelopen. Rond de molen dicht geboomte.
Herkomst
Verzameling William Smith, Londen; van William Smith verworven door kunsthandelaar Féréol Bonnemaison; veiling Varroc, Londen (H. Phillips) 22 maart 1822 e.v. (22), nr. 86; veiling Pierre-Joseph Lafontaine, Londen (H. Phillips), 7 mei 1824, nr. 67; veiling Benjamin West e.a., Londen (Robins), 16 juli 1831, nr. 26; veiling William Morehead of Herbertshire e.a., Edinburgh (Tait), 23 januari 1835 e.v. (24), nr. 110, aan kunsthandelaar John Smith, Londen; van kunsthandelaar John Smith, gekocht door kunsthandelaar Albertus Brondgeest voor Adriaan van der Hoop, 1835; legaat aan de Stad Amsterdam, 1854; Museum Van der Hoop, 1854-1885; bruikleen aan Rijksmuseum, 1885
Aan het begin van de jaren zestig van de 17de eeuw maakten Meindert Hobbema en zijn leermeester Jacob van Ruisdael een studiereis door Gelderland en Twenthe. Hun reisschetsen vormden de basis voor vele landschappen. De hier afgebeelde watermolen, met zijn karakteristieke houten watergeleiding, is door Hobbema meerdere malen geschilderd. Hij bevond zich waarschijnlijk in de buurt van de huidige grens tussen Nederland en Duitsland.
Adriaan van der Hoop kocht het schilderij in 1835 voor 5200 gulden. De Zwitserse landschapschilder Alexandre Calame zag Hobbema’s Watermolen in 1838 bij de bankier thuis hangen en omschreef het werk als ‘magnifique’. Ook bezoekers van het Museum van der Hoop reageerden steevast positief. In 1875 schreef W.J. Hofdijk: ‘Dat is geen paneel of verf: dat is de vlakte-zelf, met de daaruit oprijzende massa, het zich daartusschen bewegende zelf-bewuste leven, en de daarover heen welvende ruimte.’ ( Norbert Middelkoop)