Met dit negenluik kijkt Kensmil met haar blik van nu terug naar de regentessen. Zij laat de dubbelzinnigheid van het 17de-eeuwse liefdadigheidswerk van regentessen zien. Alleen vrouwen uit de hogere sociale lagen kregen dergelijke functies, in feite dus op basis van door (hun) mannen vergaarde rijkdom. Het koloniale systeem was destijds het fundament voor macht en rijkdom voor slechts een kleine groep, maar maakte ook liefdadigheid mogelijk. Een ongemakkelijk contrast. ( Tom van der Molen)