Van dit kleine borduurlapje uit circa 1760-1770, zijn zowel de herkomst alsook de borduurster onbekend gebleven. Het doekje heeft, met een afmeting van 16 bij 22,8 cm, het formaat van een oefenlapje, maar gezien de zelfkant aan de boven- en linkerzijde is het ook mogelijk dat dit lapje uit een grotere doek is geknipt. Aan de rafelranden rechts en links zijn restjes gekleurd garen zichtbaar. De borduurster heeft vijf ruitmotieven met streng gestileerde bloemen, hartjes en kruisjes uitgewerkt. Daarnaast een stermotief, een anjer, een roos met blad en een rozenknopje. Ze werkte met zeer fijn garen op zeer los geweven katoen en oefende daarmee tapisseriesteken. De motiefjes zijn ongelijkmatig en ogenschijnlijk willekeurig verdeeld over het stukje stof. Door ruiten op elkaar aan te laten sluiten ontstond een doorlopend motief waarmee schoenen, tasjes, boekomslagen en andere luxevoorwerpen en accessoires werden bekleed. Dit handwerk werd door oudere meisjes uitgevoerd, voornamelijk door Franse kostschoolmeisjes, maar ook door andere meisjes die de opdracht daartoe kregen. In Nederland werd deze stijl vooral in de tweede helft van de achttiende eeuw beoefend. (Suzette van 't Hof)