Keten, samengesteld uit vijftien grote en kleinere trapeziumvormige schakels met bloem- en bladranken, acht schakels tevens met een door krulwerk omgeven vogelklauw, het embleem van het Kloveniersgilde. Keten met twee aangehechte zilveren schildjes van schutterskoningen, gegraveerd met namen en jaartallen. Vanaf bovenzijde in kloksgewijze volgorde: 1) voorzijde (vz.): JDS/ Pieter Reyersen van Dyck Anno 1663/, keerzijde (kz.): PRVD/ alsmede een huismerk; 2) vz.: Jacob Dircksz/ Sprongh/ Anno 1638 den 27 meij/, kz.: een huismerk. Middelste schakel onderaan met ketting en verguld zilveren vogel met naturalistisch gegraveerd verenkleed.
Herkomst
Vervaardigd voor het Kloveniersgilde, Amsterdam, ca. 1520; overdracht aan de stad Amsterdam, 1672; bewaard ten stadhuize (Dam), kamer Thesaurie Ordinaris, tot 1806; (Dam), rariteitenkamer, 1806-1808; (Prinsenhof), rariteitenkamer, 1808-1885; bruikleen van de stad Amsterdam aan het Rijksmuseum, Amsterdam sedert 1885
Een jaarlijks terugkerend hoogtepunt van het schuttersleven was het ‘papegaaischieten’. Dit was een wedstrijd in schietvaardigheid, waarbij een houten papegaai van een paal geschoten moest worden. De winnaar kreeg deze koningsketen omgehangen en ontving een koningsstaf.
De keten van het Kloveniersgilde dateert van 1547. De naamplaatjes zijn later toegevoegd; ze vermelden de namen van schutterskoningen uit 1638 en 1663. De ketting heeft een pendant in de vorm van een vogel, de papegaai van het papegaaischieten. In de schakels is de klauw te zien, het symbool van het kloveniersgilde. ( Norbert Middelkoop)
Catalogus zilver AHM 2003
De keten is vervaardigd voor het Kloveniersgilde te Amsterdam. De vogelklauwen, omgeven door krullend lofwerk in naturalistische laat-gotische stijl, verwijzen naar het embleem van het Kloveniersgilde. Ondanks het ontbreken van keuren zal het object - mede gezien de prestigieuze opdracht aan een der stedelijke schutterijen - in Amsterdam zijn vervaardigd. De drinkhoorn van de kloveniers is dat immers ook (cat.nr. KA 13964). De koningsketen hoorde met de staf tot de 'regalia' van de schutterskoning, de winnaar van het jaarlijkse papegaaischieten. Sprongh en Reyersen van Dyck waren in respectievelijk 1638 en 1663 schutterskoningen van het Kloveniersgilde.
Op een schilderij door een onbekende Amsterdamse meester uit 1534, voorstellende een rot van de Kloveniers, zijn twee schutterskoningen afgebeeld, elk met een keten en een scepter (Schutters 1988, p. 273 afb. 88). Het Amsterdams Historisch Museum bezit een houten scepter van dit gilde (inv.nr. KA 14041).
Het Kloveniersgilde, waarvan de leden bewapend waren met een groot type geweer, beschikte vanaf 1522 over een eigen verenigings- of doelengebouw op de hoek van de Kloveniersburgwal en de Doelenstraat. Na een ingrijpende reorganisatie van de schutterijen verviel het rijke gildebezit van het Kloveniersgilde in 1672 aan de stad (Bos 1996, p. 72). In de buitenmuur van de in de Kloveniersdoelen opgenomen toren 'Swycht Utrecht' was een steen ingemetseld met onder meer twee vogelklauwen en een kogel, het embleem der Kloveniers. Dit reliëf bevindt zich thans in het Amsterdams Historisch Museum (Jonker 1995, p. 182 nr. 39).
Zie voor de koningsketens van de twee andere Amsterdamse schutterijen: cat.nrs. KA 13963 (St. Joris- of Voetboogschuttersgilde) en KA 13961 (St. Sebastiaans- of Handboogschuttersgilde). Zie: Inleiding Vreeken, p. X. Zie ook Inleiding De Roever, p. X. ( Bert Vreeken)