Van Reenen, Hof te Bergen, 1930; mevrouw L. van Panhuys-van Reenen, Den Haag, 1963; anonieme verkoop bij veiling, Amsterdam (Mak van Waay), 1 mei 1974; aankoop AHM, 2002
Trefwoorden
, ,
125181
Tentoonstellingstekst
Dit portret is 21 jaar na de dood van de voorgestelde geschilderd. Gerard Hulft, zoon van een brouwer en reder, was in 1654 als hoge functionaris van de VOC naar Batavia vertrokken. Hij stierf op het eiland Ceylon (Sri Lanka) tijdens het beleg van Colombo in april 1656.
De onfortuinlijke Hulft is omgeven door attributen die verwijzen naar zijn missie: een kaart van het noord-oostelijk deel van Afrika en een plattegrond van Colombo. Hulft zelf wijst naar scène op de achtergrond, wellicht een impressie van het maandenlange beleg van Colombo. De stad werd na zijn dood alsnog op de Portugezen veroverd, waarmee de handelsbelangen van de VOC waren verzekerd.
Het portret is besteld door de familie van de overledene. Voor zijn opdracht baseerde Michiel van Musscher zich op een monumentaal portret van Gerard Hulft, twee jaar voor diens dood gemaakt door Govert Flinck (Rijksmuseum). Linksboven staat het familiewapen van de Hulfts. Het nummer “19” duidt op een latere indeling in een portrettengalerij.
Een opmerkelijk modeverschijnsel voor heren van stand in 18de eeuw: in je kamerjas de straat op. Luxe kamerjassen droeg men oorspronkelijk in huiselijke kring. Comfortabel en lekker warm in koude wintermaanden. De ’Japonse rok’ – een bepaald type huisjas – al dan niet gewatteerd, van kostbare materialen als sits, brokaat of zijden damast werd ’bon ton’ onder welgestelde heren.
De Japonse rokken zijn ontleend aan 17de-eeuwse Japanse kimono’s en Perzische jassen die Hollandse handelsdelegaties als geschenken meekregen. Rijke heren lieten zich graag in een exotische Japonse rok portretteren in hun studeerkamer. Het werkte statusverhogend. Oosterse kleding was exclusief en toonde dat je bereisd was en de wereld kende. Voor anderen was het duidelijk dat deze heren geen lichamelijke arbeid hoefden te verrichten. De dracht raakte zo ingeburgerd dat op het toppunt van deze mode, in de 18de eeuw, modieuze heren zich er ook buitenshuis en in de kerk mee vertoonden. Dominees spraken afkeurend over deze kleurrijke en luxe dracht in het Huis des Heren. Een buitenlandse bezoeker vreesde zelfs voor een besmettelijke ziekte toen hij tijdens een bezoek aan studentenstad Leiden veel jonge mannen op straat gekleed zag in de huisjassen.