Rok van crèmekleurige zijde met ingeweven roze strepen en een gebrocheerd bloemmotief in verschillende kleuren. De rok hoort bij een overjapon of Robe à la Française en is middenvoor versierd (het gedeelte wat zichtbaar is onder de overjapon). De passementen bestaan uit brede stroken zijde, die in stolpplooien is gelegd. Deze is afgezet met sierband, stroachtig lint en kunstbloemen. Onder de bovenste horizontale strook is een geplooide strook stof, met op twee punten koorden met kwasten.
Het model van de rok is hetzelfde als van de overjapon. Breed uitstaand onder de taille, voor en achterkant afgeplat, zogenaamde paniervorm. De rok is geheel gevoerd met donkerbruine glanskatoen.
Via levensgrote modepoppen – de pandora´s - die naar de verschillende hoofdsteden in West-Europa werden gestuurd, verspreidde zich het laatste modenieuws uit Parijs. Deze aangeklede poppen droegen japonnen naar de laatste Franse hofmode. In de tweede helft van de achttiende eeuw bestond een japon uit een overkleed en een bijbehorende rok. Brede heupen waren het toppunt van schoonheid. Het accent lag op de breed uitstaande, afgeplatte rok en de smalle taille. Om dit effect te bereiken werden paniers – bouwsels van wilgentenen of baleinen – op de heupen onder de japon gedragen.
Kleding was voor zowel vrouwen als mannen uitbundig opgesierd met linten, passementen, volants en kantjes. Uit de halve mouwen van de japon werden stroken van kant of geborduurd batist, de engageantes, gedragen. Op de rug liggen platte plooien die vanaf de schouders uitwaaieren, de pli Watteau. Het model wordt robe à la française genoemd. In 1733 beschreef Justus van Effen in De Hollandsche Spectator hoe hij langs het Haagse Voorhout een dame ziet lopen met paniers. Hij moet een paar keer goed kijken, maar : ‘….naar maate ik naderde bespeurde ik duidelijk dat het een vrouw was. […]’. Verder vermeldt hij dat de rok ‘ in zyn gansche omtrek van zo een gruwelyke breedte [had], dat er een talryk huischgezin gemakkelyk onder zou hebben kunnen schuilen’. Een vriend vertelt hem dat het de laatste mode uit Parijs is. Rond 1770 raakt de panierdracht uit de mode, maar als galajapon en aan het hof blijft deze tot aan de Franse revolutie in 1789 in gebruik. ( Annemarie den Dekker)
De 2-delig japon bestaat uit een overjapon of manteau, waarvan de rok voren openvalt, en een losse rok die onder de manteau wordt gedragen. De rok is gedeeltelijk van geborduurde zijde en sluit in het middel met lintjes. Het model van de losse rok is hetzelvde als van de overjapon. De japon sluit va voren met haken en ogen. De voering is geheel van linnen met in het lijfje een extra corsetversteviging. De breedte van de rok (ruim 1,25 meter) is zodanig, dat de draagster ongetwijfeld zijdelings door de meeste deuropeningen moest gaan.
De plooien, die op de rug vanaf de halsopening recht naar beneden vallen worden 'plis watteau' genoemd.