Deze kamerjas roept veel vragen op bij modehistorici: Waar komt het vandaan? Wat is de datering? En wie heeft het gedragen? Het kledingstuk doet denken aan de vele kamerjassen die in de 17e en 18e eeuw populair waren bij gegoede mannen in Nederland, destijds de Republiek. Deze werden vaak aangeduid met de (koloniale) term ‘japonse rokken’, een (koloniale) verzamelnaam voor losvallende mantels en kamerjassen uit Zuid- en Oost-Azië.
Deze kamerjas komt echter niet uit Japan, maar vertoont meer overeenkomsten met Ottomaanse of Perzische kaftans. De geografische oorsprong is helaas nog niet vastgesteld. Het is van brokaat geweven en mogelijk gemaakt in de periode 1780-1800. Hoewel dit type mantel in die periode vaak door gegoede Europese mannen werd gedragen, is het niet met zekerheid te zeggen of dit ook voor dit kledingstuk geldt. Mag het dan nog steeds een kamerjas worden genoemd? Of een japonse rok?
De jas is duidelijk vermaakt in de 19e eeuw. Zo is er een zijden band aangezet en zijn delen van de binnenvoering vervangen. De jas is ook getailleerd. De zijnaad loopt dood in de mouw, wat mogelijk bedoeld is om het beter te laten vallen op een silhouet met een queue. Dit zou suggereren dat de kamerjas in de late 19e eeuw is aangepast om door een vrouw te worden gedragen.
Door de handelscontacten met Japan maakten de Nederlanders kennis met de Japanse kimono. Dat leverde de modieuze ‘Japonse rok’ op: een losvallend, tot de enkels reikend herengewaad, dat vanaf de 17de tot begin 19de eeuw zowel binnen- als buitenshuis werd gedragen.
Een opmerkelijk modeverschijnsel voor heren van stand in 18de eeuw: in je kamerjas de straat op. Luxe kamerjassen droeg men oorspronkelijk in huiselijke kring. Comfortabel en lekker warm in koude wintermaanden. De ’Japonse rok’ – een bepaald type huisjas – al dan niet gewatteerd, van kostbare materialen als sits, brokaat of zijden damast werd ’bon ton’ onder welgestelde heren.
De Japonse rokken zijn ontleend aan 17de-eeuwse Japanse kimono’s en Perzische jassen die Hollandse handelsdelegaties als geschenken meekregen. Rijke heren lieten zich graag in een exotische Japonse rok portretteren in hun studeerkamer. Het werkte statusverhogend. Oosterse kleding was exclusief en toonde dat je bereisd was en de wereld kende. Voor anderen was het duidelijk dat deze heren geen lichamelijke arbeid hoefden te verrichten. De dracht raakte zo ingeburgerd dat op het toppunt van deze mode, in de 18de eeuw, modieuze heren zich er ook buitenshuis en in de kerk mee vertoonden. Dominees spraken afkeurend over deze kleurrijke en luxe dracht in het Huis des Heren. Een buitenlandse bezoeker vreesde zelfs voor een besmettelijke ziekte toen hij tijdens een bezoek aan studentenstad Leiden veel jonge mannen op straat gekleed zag in de huisjassen. ( Annemarie den Dekker)
Amsterdam Museum
Onderzoek naar en fotografie van de 18e- en 19e-eeuwse kostuums van het Amsterdam Museum zijn mede mogelijk gemaakt door financiële steun van het Barbas- Van der Klaauw Fonds, het Netty van Doorn Fonds en het Prins Bernhard Cultuurfonds